D.W.M. Broeders - Levensloop
  • 0000



    INLEIDING

  • 1936



    Geboren Nijs Broeders

  • 1941



    RK Kleuterschool

  • 1943



    RK Jongensschool

  • 1945



    RK Jongensschool na WO II

  • 1950



    Mulo A

  • 1950



    Mulo A vervolg

  • 1954



    Mulo B

  • 1954



    Mulo B vervog

  • 1955



    HTS weg en waterbouwkunde

  • 1955



    HTS vervolg

  • 1959



    Militaire dienstplicht

  • 1959



    vervolg

  • INLEIDING

    Vandaag 23 Februari 2012 ben ik 75 jaar, 7 maanden en nog wat dagen. Mijn kinderen en kleinkinderen hebben mij gevraagd, om 'ns een begin te maken met het opschrijven van wat er allemaal in mijn leven is gebeurd. In het achter mij liggend deel van mijn leven zijn er mooie dingen gebeurd en hebben er minder plezierige dingen plaats gevonden.

    Als ik nu terug kijk vind ik dat het leven dat ik geleefd heb meer dan de moeite waard is geweest. Een leven waarin lief en leed steeds met elkaar verbonden waren. Een leven wat mij veel ervaringen en inzichten heeft gegeven. Met deze inzichten, dit gevoel en met deze drive wil ik de rest van mijn leven nog graag leven. Samen, met de hele familie en goede vrienden.

    Nou lieve allemaal hier volgt dan mijn verhaal maar het grootste deel ervan wordt ONS verhaal.

    wouw, nieuwstraat 48

    wouw,nieuwstraat 48
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1936

    1936 - 1941
    Op 1 Juli 1936 ben ik geboren in het katholieke gezin BROEDERS op Wagenberg, waar al 5 kinderen aanwezig waren. Een broer en vier zussen. Wim 14 jaar, Annie 13 jaar, Nel 11 jaar, Toos 9 jaar, en Rieka 7 jaar. Toen ik geboren werd was mijn vader WILLEM 45 jaar en mijn moeder Sjo 42 jaar. (Sjo is een samentrekking van ons Jo). Wij hadden een ruim huis waar voor ieder wel een plek was. We waren op Wagenberg bekend en werden gerespecteerd. Mijn moeder dreef een kruideniers winkel en mijn vader was graanhandelaar en verkocht ook veevoer en kunstmest. Hierdoor kwamen er veel mensen over de vloer. Bij WILLEM en SJO kon je altijd wel binnenvallen voor een praatje en koffie met iets erbij. Het was bij ons de zoete inval. We waren met z’n allen een gezellig gezin.

    In ben in de wereld geboren onder hollandse luchten, soms vredig soms onstuimig. In 1936 begon de Spaanse burgeroorlog, de Moerdijk brug werd geopend en in Berlijn werd in Augustus de Olympische Zomerspelen geopend door de Rijkskanselier Adolf Hitler.

    Mijn ouders gaven mij de doopnamen Deonisius, Wilhelmus, Maria met de roepnaam NIJS. In de Griekse mythologie was Dionysos de god van de wijn en de levenskrachten van de natuur. De naam is in de christelijke sfeer gekomen door de bekering van Dionysius de Areopagiet. Deze bekeerling werd later heilig verklaard. In 1483 werd een kerk op het Heike te Tilburg gewijd en vernoemd naar St Dionysius. Daarom dragen zoveel mensen in de omgeving van Tilburg de familienaam of doopnaam of roepnaam Dionysius, Nis Dion. Nijs is weer een verbastering van Nis.

    In deze periode van mijn leven, brak in Sept. 1939 de WO II uit. Ik geloof dat mijn ouders niet erg onder de indruk waren van dit historisch feit. Wat ik mij herinner is dat er nagenoeg niet over de oorlog gesproken werd. Het duurde ook vrij lang voordat we de eerste “duitse soldaten“ zagen. In de winter van 1941 kwam er een groep militairen met auto’s fietsen en paarden het dorp binnen. Dit was niet erg indrukwekkend. Zij moesten worden ingekwartierd bij de burgers. Zo vond bij ons onderdak Hans Duerbeck. Hij kwam uit de omgeving van Maria Laach. Hij was getrouwd en had drie kinderen met hele mooie namen.

    Wat mij nog bijstaat is dat er door mijn moeder regelmatig pakketjes werden klaargemaakt met voedsel voor het jonge gezin in het verre Duitsland. De ingekwartierde Duitsers werden door de bewoners in Wagenberg gewoon in de familie opgenomen. Door de kontakten die we hadden, was er bij ons ook altijd volop eten in huis.

    Hierdoor was de oorlog of de bezetting voor mij als kind niet beangstigend. Alles ging nog z’n gewone gang.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1941

    1941 - 1943
    Zo ging ik eind 1941 gewoon naar de kleuterschool. Dat was een plezierige ervaring omdat ik daardoor contact kreeg met meerdere leeftijdsgenoten. Thuis was ik opgenomen in een groot gezin met veel volwassenen er omheen en maar weinig andere kinderen.

    Maar plotseling werd de bezetting minder leuk. Er kwamen Duitse soldaten van de SS naar Wagenberg. Zij waren op zoek naar jonge mannen die in Duitsland nodig waren om daar het werk te doen wat nodig was om de bedrijven in Duitsland draaiende te houden. De oudste zonen uit de gezinnen moesten zich hiervoor melden. Wim had vrijstelling hiervan gekregen omdat hij in het bedrijf thuis nodig was. De bezetter begreep heel goed dat het belangrijk was als de plaatselijke economie goed floreerde. Daardoor was een dorp als Wagenberg in staat de verplichte noodzakelijke voedingsmiddelen voor de soldaten (gratis) te leveren. Er waren natuurlijk veel jonge mannen die het niet zagen zitten in Duitsland te gaan werken. Ze doken onder of sloegen op de vlucht als ze door de SS werden opgehaald.

    Bij werk weigering werden deze jongens, soms niet ouder dan 17 jaar, afgeranseld. Soms meer dood dan levend op transport gesteld naar werkkampen in Duitsland. Ik weet nog dat ik het als kind vreemd vond dat er zo’n verschil was tussen de ingekwartierde soldaten, dat was in onze ogen de bezetters, en deze heftige boos kijkende SS ers.

    Als graanhandelaar kocht mijn vader graan op van de boeren. Hij verhandelde dat weer door, voor een hogere prijs. Dit ging deels naar het buitenland, voornamelijk Belgie, en het andere deel werd aan broodfabrieken in eigen land verkocht. De duitsers wilden de voedselstromen in kaart brengen. Dat was de belangrijkste reden dat het graan wat bv door mijn vader gekocht was van de boeren, gemerkt moest worden. Dit gebeurde dan door het graan rood te kleuren. Dat kleuren moest ook bij ons thuis gebeuren. Daarvoor werd de keuken gebruikt die daar groot genoeg voor was wel 10 meter lang en 10 meter breed. Ik herinner me nog dat we daar, voor het kleuren, in mochten spelen.

    Ik geloof dat mijn kleuterschooltijd, niettegenstaande de oorlog, voor het grootste gedeelte plezierig verliep. Er gebeurde iedere dag wel wat. In het laatste jaar van de kleuterschool moesten we 's morgens naar de mis van 8 uur. Dit vond ik geen blij gebeuren. Maar ja het moest want dit was al een voorbereiding op de eerste Heilige communie.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat  57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1943

    1943 – 1945
    En eindelijk mocht ik naar de grote school, de jongensschool. Weg bij de nonnekes.
    Na de kleuterschool was er een  jongens - en een meisjesklas. In het speelkwartier maakte iedereen van dezelfde speelplaats gebruik. Meisjes erbij was toch wel gezelliger vond ik.

    De meeste van mijn speelkameraadjes zaten al in de 2de klas. Ik denk dat door alle drukte thuis, mijn moeder gewoon vergeten was mij tijdig naar de kleuterschool te doen. In die tijd was de kleuterschool niet verplicht. De meeste tijd werd doorgebracht met spelen op de zakken in de schuur  bij ons thuis of bij kameraadjes op de boerderij. De bezetting drukte toch wel een stempel op de eerste 2 lagere school jaren.

    Van lieverlee trokken de Duitse soldaten weg uit Wagenberg. De geallieerden rukten in het zuiden van Nederland op en de Poolse eerste pantser divisie lag voor de kapot geschoten brug over de rivier de Mark, ten zuiden van Terheijden. Deze plek werd intensief door Duitse kanonnen beschoten om zo te voorkomen dat de Canadese Genie een noodbrug zouden aanleggen. Deze kanonnen stonden opgesteld in Zwaluwe.

    In de kerktoren van Wagenberg zaten Duitse verkenners met verrekijkers die met een veldtelefoon bevelen gaven aan de schutters hoe er gericht moest worden om een voltreffer te krijgen. Ik kon de harde stemmen uit de kerktoren goed horen en vond dat wel erg spannend en soms klonk het zelfs beangstigend. De Poolse tanks kregen steun van Engelse bommenwerpers die de bedoeling hadden de kerktoren in puin te gooien. Omdat we schuin tegenover de kerk woonden, vond mijn vader het beter dat we voor een tijdje zouden verkassen naar de boerderij van opa, drie kwartier lopen de polder in. Op weg daarheen werden we gehinderd door bomkraters. Gelukkig maar dat het afwerpen van bommen door de vliegtuigen erg onnauwkeurig plaatsvond. De toren werd niet geraakt en gelukkig ook ons huis niet.

    De korte periode op de boerderij herinner ik me nog als plezierig. Zeker het slapen met z’n allen in het hooi was natuurlijk leuk. Van de bezetting was hier helemaal weinig te merken. We hoorden alleen in de verte wat schietgeluid. Op een gegeven moment hield het oorlogsgeluid op en konden wij weer terug naar huis. De kanonnen in Zwaluwe waren tot zwijgen gebracht en de Polen konden de noodbrug over. Dit gebeurde allemaal rond Sept. 1944. We stonden met verbazing te kijken naar die grote tanks en Poolse militairen die door Wagenberg trokken. Iedereen juichte en was blij, nu waren we dus bevrijd, ik at mijn eerste witte boterham en rookte voor de eerste keer stiekem een Engelse sigaret met mijn vriendjes en we werden samen vreselijk misselijk. Ik was toen 8 jaar. Het was ook rond deze tijd dat Wim, 22 jaar, de buurt vertelde dat  er de andere dag, tegen de middag, iets speciaals te zien zou zijn in de lucht. Iedereen stond de andere dag nieuwsgierig te wachten wat er zou komen. Plotseling kwam er een grote groep vliegtuigen aangevlogen die zweefvliegtuigen achter zich aan trokken. Volgens Wim waren die zweefvliegtuigen beladen met tanks en zaten er honderden parachutisten in. Ze waren op weg om de slag om Arnhem te ondersteunen Wat maakte Wim toen een indruk op de omstanders en ik was erg trots op die grote broer van mij.

    We waren nu dus bevrijd, maar de eerste maanden hierna ontstond er in de gemeente Terheijden een complete chaos. Het gemeentehuis werd a.h.w. bezet door voor ons onbekende mensen die vertelden dat ze de regering in ballingschap vertegenwoordigden. Zij waren nu de baas. Plotseling liepen er in het dorp ook groepen mensen rond met wapens die tegenstrijdige bevelen gaven. Het leek wel alsof het dorp opnieuw bezet was. Een van deze groepen stond onder leiding van schoolmeester Waalput, door de kinderen “ de rooie “ genoemd. Tussen mijn vader en hem was er in het verleden iets voorgevallen waardoor Wim de lagere school in Breda heeft afgemaakt. Op een ochtend stond er een vrachtwagen voor de deur. We werden gedwongen in te stappen en, om reden van staatsveiligheid, werden we  geevacueerd naar Roosendaal. Het was voor iedereen een heftige periode. Misschien is dat een van de reden dat ik me van deze periode niets kan herinneren. Gelukkig was er vrij snel weer orde op het “gemeentehuis”. De gewapende groepen werden ontwapend en veroordeeld. We konden onmiddellijk terugkeren naar Wagenberg en werden gerehabiliteerd. Het werd nu ook algemeen bekend dat Wim in het verzet had gezeten. Als koerier op de fiets bracht hij berichten, verborgen in een buis van het fietsframe, naar andere verzetsgroepen.

    De oorlog was voor mij pas echt voorbij toen in de lente van 1945 de voerman, Toon Joosen, weer met paard en huifkar door Wagenberg reed, op weg naar Breda. Op die manier werden er voor iedereen in het dorp door hem in Breda boodschappen gedaan. Het dorpsbeeld van alle dag werd nog completer toen ook ko’ke de paraplu  weer parapluus begon te repareren en met zijn transportfiets door het dorp reed. Het was bij ons thuis een gezellige boel. In de week werd er hard gewerkt. Wim werkte in de zaak, samen met mijn vader. Annie en Toos deden de kruidenierswinkel. Nel was kapster en werkte in Geertruidenberg bij kapsalon Nelissen. Rieka was ook kapster en werkte bij Bakx op de markt in Breda. En mijn moeder probeerde een beetje het overzicht te houden.

    Maar de weekends waren er voor gezelligheid. Op zaterdagochtend was het voor de klanten koffietijd bij Willem en Sjo. De keuken was groot genoeg voor zo’n gezelschap. Ik had dan als kind de taak om bij de bakker Thijs van Bragt naast ons, in de gaten te houden wanneer de beschuitenbollen uit de hete oven kwamen. Dus direct uit de oven werden die dan bij de koffie gegeten. De  zondagen werden vaak doorgebracht met vrienden van mijn ouders. Een groep jonge vrienden uit Breda zwermde dan rond mijn zussen wat altijd wel voor vrolijkheid zorgde.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1945

    1945 - 1950
    Door de evacuatie en de dagen tijdens de bezetting dat ik gewoon niet naar school ging, waren reden voor het schoolhoofd om mij de 2de klas te laten overdoen. Ik geloof dat ik dat toen niet zo erg vond.

    In mei 1945 vond de capitulatie plaats. De oorlog was nu ten einde en we waren bevrijd van de bezetter. Rond deze periode huurde huisarts dr Gaaymans bij ons de voorkamer om er zijn spreekuur te kunnen houden voor de patienten uit de omgeving van Wagenberg. Er was nog geen regelmatige busverbinding met Made, waardoor het voor patienten moeilijk was om daar te komen. Dit betekende nog meer drukte in huize Broeders. Zowel de arts als de patienten bleven vaak wat hangen om de gebeurtenissen op Wagenberg te bespreken.

    Vroeger werden de geestelijk en lichamelijk gehandicapten niet ondergebracht (opgesloten) in tehuizen maar bleven deel uitmaken van de dorpsgemeenschap. Als kind vonden we dit heel normaal en haalden het niet in ons hoofd om hen uit te jouwen omdat ze anders waren. Een van die gehandicapten was bv Peer Luks. Hij had het erg druk met z’n werk. Hij bracht medicijnen rond tot aan Zwaluwe toe. Hij fungeerde ook als doodgraver. Dat betekent dat hij graven moest delven voor mensen die gestorven waren. Ook reed hij rond met een kruiwagen met daarop een ton en een schep met lange steel. Regelmatig kwam hij langs om de beerputten bij de mensen leeg te scheppen. In die tijd was er nog geen riolering op Wagenberg.

    Wij waren in deze periode nog wel ‘n beetje katholiek. Dit betekende dat op zondagmorgen het hele gezin naar de kerk ging om een mis, een kerkdienst, bij te wonen. Wij zaten in de bank op de derde rij. De plaatsen in de kerk werden jaarlijks verpacht bij opbod. Hoe verder je vooraan wilde zitten hoe duurder de plaatsen werden. De grote rijke boeren zaten op de eerste 2 rijen en tolereerden dat het gezin van Willem Broeders op de derde rij zat. Ik zat liever in de armenbanken helemaal achteraan in de kerk. Dat waren zitbanken, daar hoefden je dus niet op je knieen te zitten en er werd ook nog gezellig gekaart en met elkaar gepraat. Het Rooms Katholiek zijn bij ons thuis werd hoe langer hoe minder toen mijn ouders begonnen te ontdekken dat de pastoor nogal eens dronken door het dorp liep en toen ik 15 jaar was mocht ik dan ook zelf uitmaken of ik nog naar de kerk wilde gaan.

    Direct na de mis ging mijn vader naar het cafe tegenover de kerk, om zijn wekelijks glaasje cognac (vieux) te drinken. Dit deden ook de meeste boeren en mijn vader kon dan ook de meeste zaken voor de komende week afwerken. Om 13.00 uur begonnen we aan de gezamenlijke zondagse maaltijd. Het was een gewoonte om tijdens de maaltijd met z’n allen naar het programma op de radio te luisteren van mr. Hilterman die de toestand in de wereld besprak. Daarna volgde ’n boekbespreking. Iedereen voorzag alles van commentaar. Zelfs als kind deed je daar aan mee. Na het eten kon iedereen zijn zondag zelf invullen.

    Wagenberg was een klein boers dorp maar gelukkig kon ik in de 6de klas (of misschien was het wat eerder) mijn actieradius vergroten door te gaan tennissen op Made. Ik werd lid van MTC en op Made ontmoette ik op de tennisles mijn eerste vriendinnetje Riet Leijs. Ja van die tijd af was ik meer op Made te vinden dan op Wagenberg. De lagere school liep nu teneinde en de lange zomervakantie kwam er aan. Dit betekende thuis helpen met zakken afwegen, peeen dunnen bij de boer en eindeloos zwerven door de polder.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1950

    1950 - 1952
    Maar wat nu te doen na de lagere school. Thuis in de graanhandel zat er niet in. Wim, in 1950 al 28 jaar, zou de graanhandel overnemen incl. het huis. Ik had eens een verhaal gelezen over dijkenbouw en zinkstukken, dat mij toen erg boeide. Naar aanleiding daarvan mocht ik toen in de grote keuken met granieten vloer een zandbed maken, waar ik een rivier doorheen aanlegde met water erin. Van gips maakte ik daarna bruggen en dit groeide uiteindelijk uit tot een prachtig waterlandschap, waar niet iedereen blij mee was. Dit verhaal kwam weer te voorschijn en dus een HTS weg- en waterbouwkunde opleiding leek wel iets voor mij, dacht men. Ik had me tot nu toe niet zo beziggehouden met mijn toekomst.

    Op advies van het hoofd van de RK lagere jongensschool in Wagenberg werd ik ingeschreven op de RK mulo, Middellaan te Breda. Toen ik de eerste dag op school kwam werd ik me pas bewust dat het weer een jongensschool was, geleid door broeders en dus met een uitgesproken katholieke sfeer. Met frisse moed toch maar aan de mulo begonnen. Iedere dag reden we op de fiets met een grote groep jongelui naar Breda. Dat was een van de plezierige momenten van de dag. Tussen de middag hadden we een ruime pauze. Meestal bracht ik die pauzes door in het park Valkenberg, waar in die tijd de jongelui van buiten Breda elkaar troffen. Dit was de plek waar de eerste verliefdheden ontstonden.

    Op sommige dinsdagen was mijn vader op de graanbeurs in de Reigerstraat in Breda. Daar verhandelde hij oa het graan dat hij bij de boeren had opgekocht. Om het half uur werd er vanuit de graanbeurs contact opgenomen met een beurs in Antwerpen om te weten hoe de graanprijs in Europa fluctueerde. Ik vond het prettig in de middagpause dan naar hem toe te gaan en samen wat te eten en wat te praten.

    Het eerste jaar verliep alles bij elkaar toch wel plezierig maar het tweede jaar zag ik het niet meer zitten om met deze school verder te gaan. De sfeer op de school voelde bedompt aan. Maar wat nu te gaan doen. Mijn vader besloot dat ik maar ´ns een tijdje bij de boer moest gaan werken. Op de boerderij gaan werken van mijn opa was geen optie. Mijn opa en oma waren intussen al overleden. Het boerenbedrijf werd nu voortgezet door twee halfbroers en een halfzus van mijn vader namelijk, ome Koos, ome Kees en tante Mina, alle drie ongetrouwd.

    Ik kwam toen pas tot de ontdekking dat mijn overleden oma, waar ik het goed mee kon vinden, mijn stiefoma was. Mijn echte oma, Anna van Groezen, heb ik nooit gekend, zij stierf op 31 jarige leeftijd aan de ziekte tyfus. Met mijn opa had ik niet zo’n sterke band. Mijn opa hertrouwde met Anna Kooremans, mijn stiefoma. Zij kregen samen nog 15 kinderen. Maar waar kon ik nou een tijdje op een boerderij gaan werken? Koos van Oorschot, een huisvriend, had een grote oude, in mijn ogen een mooie boerderij op Hoge Zwaluwe en zag het wel zitten om mij het vak van boer bij te brengen. Hij had een gemengd bedrijf, deels akkerbouw en deels veeteelt. Koos had een oogje op mijn oudste zus Annie die toen al tegen de dertig liep. Mijn zus had al genoeg vrijers gehad maar was de ware nog niet tegengekomen. Daar was ze steeds erg duidelijk in.

    ZIE VERVOLG 1952 - 1954

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1950

    1950 - 1954 VERVOLG.
    Het buitenleven en het harde werken beviel me wel. Maar het zou allemaal anders lopen. Annie zag na een tijdje Koos toch niet zo zitten als haar toekomstige man, ook al zou hij voor haar een nieuwe boerderij gaan bouwen. Dat was voor Koos een geweldige tegenvaller. De verhouding met de familie bekoelde tijdelijk en voor mij veranderden de omstandigheden en de sfeer op de boerderij zodanig dat het me beter leek te stoppen met de “boerzijn” aspiraties en het me beter leek weer naar de mulo terug te gaan.

    Ik had een deel van de 2de klas gemist en een voorwaarde om terug te kunnen komen was dat ik opnieuw in de 2de klas zou beginnen. Dit was een consequentie die ik accepteerde. Het werken op de boerderij en de zelfstandigheid daarbij, hadden me bewuster gemaakt van mijn eigen situatie. Ik denk ook dat de drukte thuis mij weinig mogelijkheden gaf mezelf te zijn, zodat ik probeerde daaraan zoveel als mogelijk te ontkomen.

    De mulo opleiding verliep voor de rest voorspoedig en ik had in Juli 1954 eindelijk mijn diploma A op zak. Het vervolg hierop was mulo B. Dit was een wiskunde jaar met halve dagen school van 09.00 tot 12.00. Deze opleiding stond goed aangeschrevenen en dat betekende dat er ook leerlingen van andere scholen zich voor dit jaar aanmeldden, die om wat voor reden dan ook een extra wiskunde jaar nodig hadden. De wiskunde vakken lagen mij wel een beetje, dus kon ik dat komende jaar gelukkig over meer vrije tijd gaan beschikken.

    In deze mulo A periode deed zich in Jan/Feb 1953 de watersnoodramp voor, met de officiele naam Sint Ignatiusvloed. Wij zijn Wagenberg niet ontvlucht omdat mijn vader zeker wist dat wij geen overlast van het water zouden hebben. Omdat ons huis voldoende ruimte had, hadden we dagelijks “eters” over de vloer, zo ook de politie agent van het dorp Iedere middag werd er uitgebreid “warm” gegeten met volop vlees . Zeker de agent liet zich het vlees goed smaken. Intussen vertelde hij sterke verhalen hoe hij die dag de boeren weer te pakken had genomen die clandestien kalveren en varkens hadden geslacht.

    Je moest in die tijd een slachtvergunning aanvragen omdat er een strenge controle was op de aantallen levend en verdronken vee . Verdronken vee werd door de overheid gesubsidieerd. Er werd dus veel stiekem geslacht en dan opgegeven als verdronken. Iedere dag hadden we dus “clandestien” vlees op het bord. Later vertelde de agent dat hij dat wel wist maar zijn mond maar had gehouden en zich alles lekker had laten smaken.

    ,

    ,
    Bekijk volledige kaart

  • 1954

    1954 - 1955
    Er was nu alle tijd om wat meer aan mijn tennisniveau te doen. Een jaar eerder ging ik op dansles bij dansschool de kruif aan de Nassausingel in Breda. Veel later, na de scheiding, kocht ik het woonhuis van de oude mevr. De Kruif. In dit jaar huurde mijn vader het al eerder gesloten station in Hoge Zwaluwe als opslagplaats. In de winter werd het kunstmest als bulk per trein aangevoerd. In het stationsgebouw werd dan gedurende die winter alles opgezakt en gewogen op een bascule. De zakken wogen 70 kg per stuk en werden tot wel 3 meter hoog opgestapeld. Ik hielp de 2 tijdelijke krachten die voor dit zware werk waren ingehuurd. In die perioden heb ik zakken leren dragen en heb ik met hard werken, mijn eerste geld verdiend.
    Na afloop ging ik op de fiets naar huis en direct onder de douche zou je zo zeggen. Maar we hadden toen nog geen douche.

    Achter in het washok werd een ketel water warm gestookt en daar ging je je zelf dan wassen. Om in het washok te komen moest je buitenlangs, soms in je blootje door de sneeuw. Voor dat Wim trouwde werd er een badkamer in de keuken gemaakt met douche. Rond deze tijd kochten we een vrachtwagen, een Daf geloof ik. En er kwam een knecht/chauffeur in vaste dienst. Jan Huiskens. Een aardige jonge vent die beresterk was.

    Wim wilde in Mei 1954 gaan trouwen met z’n Diny. ( Diny Herijgers) Het huis moest daarvoor worden aangepast omdat het jonge echtpaar kwam inwonen. Maar gelukkig was het huis daar groot genoeg voor. Wim kreeg het rechter deel van het huis en mijn ouders het linker. Al deze dingen gaven een grote verandering in het gezin wat gepaard ging met de nodige spanning. Twee gezinnen in een huis heeft z’n kruis zei m’n moeder. Ze kon met het idee van inwonen moeilijk mee.

    Mijn jaar mulo B verliep voorspoedig. De leraren waren gelukkig geen religieuzen, maar jonge mensen die met plezier met hun vak bezig waren. Dit zorgde voor mij voor een heel prettig jaar. In Juni 1955 had ik mijn diploma binnen. Dat had ik dan toch maar weer voor elkaar. Maar nu deed er zich een probleem voor. De toelatingseisen voor een HTS opleiding waren intussen verzwaard en een mulo A + B opleiding waren onvoldoende om toegelaten te worden. Ja wat nu. Ik heb toen alle moeite gedaan om een gesprek te kunnen krijgen met de directeur Hr van IJsseldijk van de HTS Tilburg. En jawel, dat lukte.

    Dus ik op weg naar Tilburg, met de bus naar Breda en met de trein naar Tilburg. Ik was natuurlijk veel te vroeg ter plaatse. Het gesprek met IJsseldijk verliep goed. Ik heb een gloedvol betoog gehouden waarom ik geinteresseerd was in dijkenbouw en polders. Mij werd echter direct duidelijk gemaakt dat mijn vooropleiding onvoldoende was. Dat was een erge teleurstelling en dat heb ik ook duidelijk laten merken, geloof ik. Het gesprek stokte op enig moment en plotseling zei IJsseldijk: “oke ik vind dat je toch een kans moet krijgen, na de zomer zie ik je wel weer hier verschijnen. Lukt het niet goed het eerste jaar dan verspeel je je kans.” Nou dat was een boffer en ik was zo blij dat ik de weg naar het station niet meer kon terugvinden.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1
  • 1954

    1954 - 1955 vervolg
    Met het plezierig gevoel dat er een nieuwe periode voor mij in het verschiet lag, ging ik naar huis. Enthousiast over de uitgebreide boekenlijst en een adressenlijst van kamers. Dit was blijkbaar voor mijn ouders het moment om hun financiele situatie eens met mij te bespreken. Vader had de graanhandel, de afdeling veevoer en kunstmest, de winkel, het woonhuis en de bedrijfsruimte aan Wim verkocht voor een gering bedrag. Moeder vertelde dat dat niet volgens de afspraak was die zij beiden eerder gemaakt hadden. De winkel zou na een of twee jaar worden gesloten omdat Wim van die ruimte een kantoor wilde maken. Vader zou Wim tegen een vergoeding een tijdje helpen, met de graanhandel. In 1955 was vader 64 jaar en moeder 61 jaar. Mijn vader kon dus nog geen gebruikmaken van de noodwet ouderdomsvoorziening Drees. Bij de verkoop van het bedrijf had vader echter wel bedongen dat zij beiden zonder kosten en voor het leven in het linkerdeel van het huis konden blijven wonen en dat Wim maandelijks een bedrag zou overmaken als aanvulling op de ouderdomsvoorziening.

    Voor mij betekende het dat er onvoldoende geld was om mijn HTS studie te bekostigen. Mijn ouders zouden een deel bijdragen aan de studiekosten en voor het resterende deel moest ik zelf zorgen. Ik werkte in de vakanties al, bij het bedrijf Zwanenburg op Made. In de omliggende dorpen de “juin” genoemd. Als het nodig was zou ik ook nog wel ‘ns een weekend daar kunnen werken. Ik kon daar altijd wel terecht. Bij Wim in het veevoer of kunstmest kon ik ook nog wel een cent bij verdienen. Ik maakte me dus toen niet zo druk of ik wel over voldoende geld zou kunnen beschikken.

    Er was dus geen geld wat onder de kinderen kon worden verdeeld. Maar zoals ik er nu tegenaan kijk, heeft mijn vader hun wonen en geld voor de oude dag goed geregeld. Mijn zussen waren het absoluut niet eens met deze hele financiele afwikkeling. Er was altijd overal voldoende geld voor geweest. We konden ruim leven. Het was voor iedereen nu wel even wennen aan deze nieuwe situatie. Dit gaf toch wel wat spanning in het gezin. De saamhorigheid verminderde en ieder ging meer zijn eigen weg.

    Zo had ik sterk het gevoel dat ik mijn leven nu zelf op orde moest brengen. Meer eigen verantwoordelijkheid moest nemen. Ik kon niet langer afhankelijk zijn van mijn ouders. Bij zo’n gebeuren lijkt het of je versneld volwassen wordt. In de zomervakantie was het werken bij Zwanenburg en tennissen op Made en in de winter ieder weekend dansen in de omliggende dorpen. Om te dansen trok ik met vrienden naar de omliggende dorpen zoals Made, Raamsdonksveer in Den Deijl en Wagenberg. Er werd natuurlijk ook gedanst maar het belangrijkste was om op deze manier andere meisjes te kunnen ontmoeten en wat bier te drinken. Een van mijn meisjes toen heette Lia Daamen.

    De hele Mulo periode was ik goed bevriend met Gijs van Lange uit Made. Ik meen dat mijn zussen intussen allemaal getrouwd waren; Annie met Guus Hoes, bakker, Nel met Hans Helwig, direkteur PTT kantoor, Toos met Jan Botermans, uitvoerder in de bouw en Rieka met Theo Vermunt eigenaar van bedrijf voor staal constructies.

    Het werd nu rustig thuis. Minder mensen over de vloer, en geen Hilterman meer. Er was nog een vriendin, van de dansles, die ik alleen maar trof als ik in Breda was of op een van de dansavonden van de Kruif.

    ,

    ,
    Bekijk volledige kaart

  • 1955

    1955 - 1959
    In 1957 werd de HTS opleiding ondergebracht bij het HBO. De minimale toelatingseis was toen HBS. Met MULO 4 kwam je in een voorbereidende klas. Tot die klas werd je alleen toegelaten als je hoge eindcijfers MULO had. Toen ik in Sept. 1955 aan de opleiding begon, was de nieuwe opleidingseis nog niet van kracht. De opleidingsklas bestond al wel op papier maar was in Tilburg nog niet ingevoerd. Zodoende had de directeur nog wat speelruimte bij de keus, wie wel en wie niet werd toegelaten.

    In de klas had de helft van de studenten MULO B opleiding en de andere helft HBS. De eerste 2 jaar heb ik erg hard moeten werken om het les tempo te kunnen volgen. De HTS opleiding weg en waterbouwkunde is gericht op het ontwerpen, construeren en uitvoeren van grote bouwwerken. De belangrijkste vakken waren: bruggen, kanalen, sluizen, stuwen, rotondes, viaducten, dijken, wegen, waterzuivering, nutsvoorzieningen, budgetteren, planning, staalconstructies, betonconstructies, dynamica, hydraulica, hogere wiskunde, talen, en nog een aantal andere vakken.

    Wat mij bijzonder inspireerde in die 2 jaar was dat de sfeer en de onderlinge verhouding in de klas goed was. Ik voelde me redelijk thuis op deze HTS. De hele week was ik intensief met de studie bezig, en ook nog de hele zaterdag. Vaak studeerde ik op zaterdag samen met Henk Fijneman van Oosteind. Ik had alleen contact met hem omdat hij een kei was in alle vakken. Een plezierig contact had ik met Pichardo van Bonaire. De bedoeling was dat hij na 2 jaar een officiers opleiding zou gaan volgen aan de militaire academie West Point in Amerika.

    De HTS bood volop studiemogelijkheden maar er was weinig aandacht voor “studentenplezier”. De zondag was mijn vrije dag. Eerst ‘n beetje uitslapen en dan een laat uitgebreid ontbijt met worstenbrood en warme zult. Zo nu kon ik de dag weer aan. s’Middags naar Gijs van Langen, Wat kletsen en drinken met vrienden op Made, en soms naar de bioscoop met Leentje Brenters. De druk nam toe om onze omgang in “verkering” om te zetten maar dat ging wat te snel voor mij.

    In de zomer was het tennissen belangrijk en in de winter het dansen. Door tijdgebrek in deze 2 jaar moest ik kiezen welke sport ik zou laten schieten, tennissen of voetballen bij VCW (Voetbal Club Wagenberg) De keuze was niet gemakkelijk. Ik voetbalde al vanaf mijn 13de jaar als linksbuiten. Na het voetballen kleedde we ons om in het cafe “in den zwaan” van Jantje de dekker. In dit cafe dronk ik mijn eerste pilsje. Ik was toen bijna 13. Maar uiteindelijk besloot ik om te blijven tennissen.

    In Maart 1955 kwam de uitslag dat ik was goedgekeurd voor de militaire dienstplicht. Alle jonge mannen vanaf 18 jaar werden verplicht 18 maanden als dienstplichtig militair in het leger te dienen. Ik werd toegewezen aan het regiment stoottroepen. Daarna zou ik kunnen overstappen naar de Commando’s, een elite eenheid waar ik mijn diensttijd sportief zou kunnen doorbrengen. Ieder jaar moest ik “ uitstel eerste oefening “ aanvragen. De militaire dienstplicht werd in 1810 ingevoerd en per Mei 1997 is de dienstplicht opgeschort, omdat de veiligheidssituatie in Europa aanmerkelijk was verbeterd.

    De eerste twee jaren kon ik eindelijk afsluiten met redelijke cijfers en kon nu aan mijn stage jaar beginnen. Ik had twee stage plaatsen geregeld;

    # 1 Rijkswaterstaat directie bruggen en viaducten. Assistent toezicht op de bouw van het Bronbeek viaduct in Arnhem over de Velperweg en in de toekomstige A12. Een voorgespannen betonconstructie.

    # 2 Waterloopkundig laboratorium “ de Voorst “ in Marknesse Noord Oost polder.

    # 1 Het werk aan het viaduct was wel interessant maar de avonden boden weinig vertier op een enkel avondje stappen na, samen met een stagiere van een ander werk. 

    In Arnhem had ik een pension in de Bronbeeklaan, op loopafstand van het werk. Een van mijn opdrachten was het gedeeltelijk herberekenen van de bekistingsconstructie over de Velperweg heen. Daarnaast was ik verantwoordelijk voor de organisatie van deze grote betonstort. Het storten zelf bv. gebeurde nog met “japanners” Er waren veel werklui nodig om een continue stort te hebben. Dus het was een af en aanlopen van haastig lopende werklui met ’n japanner. Op een andere lokatie had ik het toezicht op het heien van betonpalen tbv. de beide landhoofden. Een erg belangrijke ervaring was natuurlijk de omgang/confrontatie met de werklui. Dit werk duurde ongeveer 3 maanden.

    wagenberg, Dorpsstraat 57

    wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1

    Documenten

    uitstel_van_dienstplicht.jpg (512.3 KB)
    goedgekeurd_voor_militaire_dienst.jpg (466.21 KB)
    hts_diploma.jpg (559.15 KB)
  • 1955

    1955 - 1959 vervolg.
    # 2 Het waterloopkundig laboratorium “de Voorst” in de Noord Oost Polder was een vestiging van het waterbouwkundig laboratorium Delft. Tot 1960 was het hoofd hiervan professor J T Thijsse. Mijn belangstelling voor het vak hydraulica was de reden om een deel van mijn stageperiode hier door te brengen. We werden met een 30 tal studenten practicanten uit het hele land ondergebracht in een comfortabel barakkenkamp bij Kraggenburg, met kleine slaapzalen, een grote verblijfsruimte, rustige werkplekken, eetruimte en een keuken met een fantastische kok.

    Het waren houten barakken uit de ontginningstijd van de Noord Oost Polder van 1941/1962. In 1942 viel de NOP droog en de nieuwe gronden moeste ontgonnen worden om ze geschikt te maken tot landbouwgrond. De mechanisatie stond nog in de kinderschoenen en daarom waren duizenden polderwerkers nodig voor het graven van sloten, ploegen, zaaien, wieden, oogsten en dorsen. Buiten in het open veld van het laboratorium, lagen al eerder theoretische berekende projecten, zoals delen van het Zeeuwse deltaplan en buitenlandprojecten, op schaal nagebootst. Een enkel project had bijvoorbeeld de afmetingen van 8 x 30 meter. Hier werd op schaal onderzocht, welke problemen zouden kunnen optreden bij het sluiten van een rivierarm. In de werkelijke situatie waren de stroomsnelheden, waterhoeveelheden, optredende neren reeds gemeten en in kaart gebracht. Deze parameters werden naar een bepaalde schaal omgerekend en in het model ingesteld. Dan volgde de dijkenbouw. Van de zowel linker als rechter landzijde naar het midden.

    Tijdens deze dijkenbouw op schaal werden bv. de optredende watersnelheden gemeten. In het midden bleef er dan een sluitgat over waar het water met zeer grote snelheid doorheen stroomde. Door allerlei metingen te doen in het model kreeg je een goed idee hoe het straks in werkelijk zou gaan. Het water stroomt zo snel door dat sluitgat dat dit niet met zand of steen was te dichten. Hiervoor werden zeer grote betonnen caisson gebruikt die in het sluitgat werden ingevaren. Lagen ze op hun plaats dan werden deze caissons afgezonken en afgevuld met zand en basalt blokken. 

    De jongelui van het barakkenkamp konden het onderling goed vinden. Er waren avonden bij dat we ons bezig hielden met onderwerpen als het kabinet Drees en bv de ingevoerde bestedingsbeperking. We maakten ons toen al ongerust of er na de studie wel werk genoeg was. Maar er waren ook avonden dat we met de hele groep naar het cafe Saassen in Kraggenburg gingen om daar een glas bier te drinken met de plaatselijke meisjes. Op enig moment leerde ik Lianne Vette kennen. De bedoeling was dat ze aan het eind van dat jaar naar Zwitserland zou verhuizen om daar voor tolk vertaler te gaan studeren. Haar vader had een boerderij, akkerbouw, met erg veel grond. Haar ouders vonden het prettig als ik op zaterdag op de boerderij was. Volgens mij konden ze zodoende wat toezicht op hun dochter houden.

    In deze periode kwam het er niet van om af en toe naar huis te gaan. Ik verdiende redelijk met mijn stage plaats, maar soms was mijn geld op en ging ik liftend naar huis om de bijdrage van mijn ouders op te halen. Ik merkte erg goed dat met name mijn moeder het niet leuk vond dat ik zo weinig thuiskwam. Maar ook aan deze stage periode kwam een einde. Deze gezellige periode moest ik nu achter mij laten, zo ook de vriendschap met Lianne en de andere meisjes in Kraggenburg. Zo daar was ik dan weer terug op Wagenberg.

    Ook in het vierde jaar bleef ik thuis “op kamers”. Het was wel erg gemakkelijk dat het eten altijd voor je klaar stond en je geen kostgeld hoefde te betalen. Zeker omdat het eindexamen jaar weer veel zou vergen. Dit eind jaar verliep ongeveer zoals de eerste twee jaren. Studeren en studeren en Zondags ontspanning. Het schriftelijk examen verliep redelijk, maar ik had nog wel wat vakken mondeling aan te vullen. En toen in Juli 1959 was ik er dan helemaal mee klaar. Eindelijk, na een lange weg te hebben afgelegd, had ik mijn diploma HTS weg en waterbouwkunde (civiele techniek) binnen gehaald. Het is voor mij een hele belangrijke periode in mijn leven geweest. Heel veel kennis opgedaan dat is logisch voor een hts opleiding. Maar voor al ook veel levenservaring opdeed.

    Gelukkig was er nog tijd over, voor ik als rekruut de militaire dienst zou in gaan, om bij Zwanenburg nog wat geld bij te verdienen. Ik draaide veel nachtdiensten omdat ik dan extra geld verdiende, zeker omdat ik daar inmiddels bevorderd was tot meewerkend voorman. Mijn ouders wilde meer gaan bijdragen, maar zolang ik met werken genoeg geld kon verdienen, vond ik dat voorlopig niet nodig. En, nagenoeg financieel onafhankelijk, gaf een prima gevoel en was weer een nieuwe ervaring.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

  • 1959

    1959 - 1961
    De militaire dienstplicht.
    De zomer van 1959 ging snel voorbij en toen was het plots 12 augustus en moest ik me als dienstplichtige melden aan de poort van de Cort Heyligers kazerne in Bergen op Zoom. Hier zou ik 6 weken verblijven als rekruut om de opleiding tot militair, tot soldaat, te volgen. In die 6 weken was er geen gelegenheid een weekend naar huis te gaan, de opleiding ging continue door.

    De eerste dag werd je ingeschreven, kreeg je je " handboek soldaat" en je registratieboekje. Er werd militaire kleding uitgedeeld, zoals schoenen, sokken, onderbroeken, hemden, gevechtstenue, een pukkel en geweer. Je was nu soldaat van pet tot onderboek. Iedere ochtend was er reveille om 6 uur en om 7 uur, na wassen en eten, was er een ochtendappel. Je stond aangetreden en salueerde bij het hijsen van de vlag onder leiding van een kapitein. De dag begong met het besturderen van het handboek soldaat, daarna was het oefenen en oefenen. Je leerde groeten, excerceren, ( marcheren) , je kleding leren strijken, het koper van je uitrusting poetsen, tijgersluipgang, schieten met een karabijn. Gevecht van man tegen man.

    De opperwachtmeester die verantwoordelijk was voor de kwaliteit van onze opleiding wist ons, met zijn bulderende stem, tot steeds hogere prestaties op te voeren. Hij leerde ons ieder bevel van een meerdere op te volgen, hoe onzinnig dat bevel ook was. Na een lange mars van 25 kilometer met volledige bepakking had ik mijn voeten helemaal stuk gelopen en belandde zodoende in het militair hospitaal in Bergen op Zoom. Mijn idee om na de 6 weken rekrutentijd te worden geselecteerd voor een opleiding bij de commando's kon ik hierdoor wel vergeten. Ik denk dat ik een dag of drie in het ziekenhuis heb gelegen. Op een ochtend, na het appel, werden we met 6 man bevolen om ons te melden bij de kazernecommandant. Die is voor rekruten zo hoog in rang dat we die nog niet gezien hadden. Daar werd ons meegedeeld dat we "uitverkoren" waren om een opleiding tot reserveofficier te gaan volgen en dat we ons de andere dag beschikbaar moesten houden om hiervoor getest te kunnen worden. Mijn uitslag was positief en de bedoeling was dat ik de opleiding tot reserve officier zou volgen aan de SROA ( school reserve officieren artillerie), in de Chassekazerne te Breda. Ik werd dus ingedeeld bij het legeronderdeel artillerie. Ik zou worden opgeleid tot verbindingsofficier bij de artillerie.

    De officiersopleiding zag ik zeker wel zitten. Het gaf toch meer verantwoordelijkheid en een andere werkomgeving dan als soldaat zonder rang bij de parate troepen te moeten dienen. In oktober 1959 begon de opleiding bij de SROA die ingeveer 8 maanden zou duren. Na 6 maanden kreeg ik de rang van Kornet, d.i. Aspirant officier, na eerst de rangen van korporaal en wachtmeester te hebben doorlopen. Twee maanden voor her afzwaaien werd ik beeedigd tot 2de luitenant, dit is de laagste en eerste officiersrang. Als jong Kornet zou ik als verbindingsofficier worden ingedeeld bij de eerste divisie 7 december en gelegerd worden in Schaarsbergen, de Oranje kazerne. De acht maanden opleiding gingen snel voorbij. 's morgens werd ons alles bijgebracht over functie en werking van de artillerie. De artilerie is een afdeling binnen het leger, bewapend met kanonnen. Voor mij was vooral van belang de verbinding met radio of telefoon binnen de afdeling en de verbinding naar divisie niveau. Dit betekende alles weten op het gebied van morse, (de)coderen en porcedures. Je leerde zelfstandig beslissingen nemen, bevelen kritisch bekijken en dan pas opvolgen en zeker ook het kennen van je beperkingen als jong officier in de organisatie structuur van het leger.

    Wagenberg, Dorpsstraat 57

    Wagenberg,Dorpsstraat 57
    Bekijk volledige kaart

    Foto's

    image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1 image 1

    Documenten

    functie_overdracht.jpg (426.72 KB)
    benoeming_tot_2de_luitenant.jpg (433.44 KB)
    uitnodiging_voor_de_beediging.jpg (455 KB)
    verlofpas.jpg (541.51 KB)
    benoeming_tot_eerste_luitenant.jpg (564.07 KB)
    eervol_ontslag_uit_de_militaire_dienst_1981.jpg (328.43 KB)
  • 1959

    De middagen werden doorgebracht met oefenen in het veld, leren marcheren, leren bevelen geven. Er waren veel loopoefeningen en dan gingen we bv. In hoog mars tempo met zware rugzak oftewel "volledige bepakking" naar het cadettenkamp bij Teteringen. Daar leerden we in het mulle zand de tijgersluipgang. Dit is kruipen op ellebogen en knieeen en tenen onder een laag bij de grond gespannen net van prikkeldraad. Dit diende beslist te gebeuren zonder kleerscheuren, anders werd je zwaar gestraft. Je moest dan, bij terugkomst op de kazerne, twee keer de “paardenbaan“ rondrennen. Na de oefening in het cadettenkamp liepen we weer terug in hoog mars tempo en was het toch prettig om de kazerne weer te zien opdoemen.

    We werden op deze opleiding zowel fysiek als mentaal behoorlijk "afgeknepen". Alvorens we de achterpoort binnen mochten, maakten we eerst nog 2 rondjes hardlopend rond de kazerne en moesten dan ook nog een stuk afleggen dwars door de "singel". Na afloop van zo'n zware oefening waren we toch trots dat we dit maar weer eens hadden gefikst. Het ging me goed op de SROA. De kameraadschap die er was en het sportief bezig zijn bevielen mij wel. Na een paar maanden opleiding werd ons de "servicedress" door een kleermaker aangemeten. Met platte pet en "bokkentuig". Ik liet mijn jasje voorzien van een speciale RODE voering wat een gebruik was onder verbinding officieren. Ik was trots op mijn uniform en trots op mijn lidmaatschap van de SROA.

    In het weekend ging ik in uniform uit met mijn vrienden. De vreindschap met Leentje Brenters begon wat te minderen en intussen had ik Lia van Daalen uit Geertruidenberg ontmoet. Eindelijk kon ik de SROA opleiding afsluiten en ik werd ingedeeld bij de 11 de afdeling veldartillerie, in de staf- en verzorgingsbatterij als commandant verbindingspeleton, gelegerd te Schaarsbergen in de Oranjekazerne. Voor de officieren was er het officiershotel dat buiten het kazerneterrein lag. Iedere officier had hier zijn eigen slaapkamer. Om 17.00 uur was er op de kazerne het laatste appel, waarna je naar het officiershotel ging. Je ging douchen en trok je servicedress aan en ontmoette dan daarna elkaar in de bar voor een borrel. Om 19.00 uur schoof je aan voor het diner. De kwaliteit van de warme maaltijd kon wedijveren met de beste restaurants in de omgeving. Mijn soldij als kornet was volgens mij 300 gulden wat voor die tijd een fiks bedrag was. Als ik eens een weekend thuis was op Wagenberg betaalde ik "kostgeld".

    De omgan met Lia van Dalen werd wat frequenter en mijn moeder nodigde haar uit om kennis te komen maken. Dit was mijn eerste vriendin die thuiskwam op Wagenberg. Kort daarop vertrok ik in colonne naar La Courtine in Frankrijk. Hier konden we op grote schaal het spel "oorlog" spelen. Ik heb van deze oefening erg genoten. Zo ook van de borrel die we soms dronken in de bar van "chez Colette". Daarna heb ik nog een grote oefening meegemaakt op de Luenenburger heide in Duitsland.

    Wanneer een commando post in het veld werd verplaatst stond de mess tent het eerste zodat een borrel en eten altijd bereikbaar was. Na terugkomst van de buitenland oefeningen was het op de Oranjekazerne saai. We waren oefeningen en actie gewend en nu viel alles stil. Het was ook in deze periode dat mij gevraagd werd of ik na de diensttijd als beroepsofficier in het leger wilde blijven. In principe voelde ik hier wel voor, maar ik besloot om toch in de burgermaatschappij een baan te zoeken. Voordat ik afzwaaide, medio mei 1961, had ik gesolliciteerd naar een functie bij de unie van waterschaps bonden te Zaltbommel, waar ik met open armen werd ontvangen.

    ,

    ,
    Bekijk volledige kaart

+ -